Sluitertijd: Een fatale liefdesgeschiedenis. Podcast 003

 

Bezet!

 

De miniatuur bolide boven de siertegel werd gekocht door een man in een bruine regenjas, op z’n hoofd zo’n raar Sherlock Holmes-hoedje, voorzien van dubbele klep. In de hand een paraplui, terwijl het onbewolkt was. Bovenop het geruite dedectivehoofddeksel zat een groen zijden strikje waar het zonlicht overheen gleed als over het blad van een wintervaste plant en het voorjaar zich al een beetje van z’n goede kant liet zien.

Het gaf hem wat hoop. Dat prille van een nieuw begin. De lente waarvan z’n moeder vroeger zei dat die dan weer in het land was. Meestal op de dertigste april en de bloemen op het bordes van Paleis Soestdijk lagen uitgestald als in een etalage van Fleurop.

Tot er geen boeket meer was te krijgen in de wijde omgeving van het koninklijke onderkomen en de saaie opgang door de tentoongestelde bestuivers veranderde in een filiaal van de Keukenhof. Gecomplementeerd door de witte anjer in het knoopgsgat van de prinsgemaal. Of er een laatste sneeuwvlok was blijven plakken op z’n rever.

 

Paleis Soestdijk
Bloemen op het bordes van Paleis Soestdijk.
 

‘Zeg kereltje wat kost me dat karretje daar?’ Vroeg de man in de Engelse outfit. Het klonk een beetje bekakt. Wat het juist iets komisch gaf, omdat op een dag als deze er van hoog en laag, van arm en rijk, geen sprake meer leek. Een vrolijk, het volk verbindende hebzucht. Het hele land een open lucht bazaar. Met de ijzeren punt van de handparaplu wees hij met gespeelde nonchalance in de richting van de Dinky Toys. De gele papaya-kleur gaf de miniatuur sportauto iets exotisch. Wat de prijs niet op dreef. Eerder het omgekeerde. In plaats van de door het verkopertje gevraagde bedrag van zeven euro werden het er vijfenhalf. Grif door hem in de oneerbiedig opgehouden hand neergelegd. Het doosje kreeg hij er gratis bij. Moet een koopje geweest zijn, want hij maakte zich haastig uit de voeten, blijkbaar bang dat de verkopende partij zich bedacht. Dat GTO’tje stond morgen waarschijnlijk voor het driedubbele op een digitale veilingsite als Marktplaats of Ebay.

Niet de tegel, daar was niemand in geïnteresseerd.

Hooguit interesseerde hem de kloof die het onbedoeld symboliseerde tussen heden en verleden. Prins Claus bijvoorbeeld was in die dertig jaar voor het oog van de fotocamera’s van de verzamelde roddelpers van een knappe jonge vent een kromgebogen tobber geworden die liever dood was dan een halfbakken koninklijke marionet.

Misschien had hij het daarom helemaal niet erg gevonden dat hij de kelder van de Nieuwe Kerk in Delft werd ingedragen als laatste plichtpleging. Daar hoefden immers geen lintjes voor geknipt te worden, wat hij een beetje badinerend z’n core business noemde in een laatste televisieinterview met de starende blik van een diep ontgoocheld iemand die maar beter niet meer op een paleisbalkon kon verschijnen. Persmuskieten die dan het plaatje van hun leven konden schieten, terwijl dat van Claus ophield.

Of er moesten een paar behulpzame lakeien met een vangzeil onder staan. Waar hij zich graag als vrijwilliger voor had aangemeld. Al was het maar om te blijven geloven in het wonder van blauw bloed stromend door de aderen van de leden van het Koninklijk Huis. Aangetrouwd of niet. Maar treurig was het natuurlijk wel.

Op de haarlijn tussen kroon en hoofd zat over de hele lengte van de wanddecoratie een barst. Het raakte aan een boek dat de perfecte aanvulling van de gehavende kroningstegel was. Toeval dat het beschadigde kunstwerkje naast een journalistieke fotoreportage lag over de rellen die toen als op afspraak uitbraken? De hevigste sinds het Jordaanoproer. Wat de samenstellers blijkbaar tot inspiratie diende wat betreft de titel.

‘Het Kroningsoproer’ stond er met dikke witte letters op de kaft. Het leek hem onwaarschijnlijk dat de verkoper, een joch van een jaar of twaalf, dertien met een omgekeerde honkbalpet op het hoofd, enig benul had van de historische parallel tussen tegel en boek, broederlijk naast elkaar liggend op een doorzichtig plastic zeil vol vouwen en kreuken waaronder vaag het woord ‘BEZET’ was te zien.

Schuin boven een in de stoep verzonken putdeksel van het gemeentelijk waterleidingbedrijf. ‘Vecht Links.’ Maar die tijd was wel geweest, bedacht hij niet zonder leedvermaak. Net als de door linkse, republikeinse activisten gebezigde leus: ‘Van oranje naar rood’.

Gezien de doorslaggevende rol die Den Uyl als premier had gespeeld in het behoud van het Koningshuis na de Lockheed-affaire, was eerder het omgekeerde het geval: het rode in de politiek dat oranje kleurde. In de sport al een vanzelfsprekendheid.

Of er nu gewonnen werd of verloren op het voetbalveld door het nationale elftal, oranje was de overheersende kleur op de tribunes. Net als bij schaatsen. Alleen waren de tribunes daar dan vaak iets minder goed gevuld, maar er was altijd wel een verdwaalde fan in een lege ijspiste in een ver en koud buitenland met een oranjekleurige pruik op het hoofd die alleen feestwinkels in de aanbieding hadden. En dan nog met een flinke korting en het leek of de drager te veel penen had gegeten bij het uitzitten van de vijf en de tien kilometer, met slaapverwekkende regelmaat gereden door een boerenzoon uit Friesland of Groningen.

Na afloop van de krachtmeting veranderd in een wandelende reclamezuil, maar dan wel op een koninklijke ondergrond. Net of het Huis van Oranje de echte sponsor was van het festijn en niet de Melkunie. Een betere marketing was nauwelijks denkbaar.

Nee, als iets de moderne monarchie kenmerkte dan was het wel de combinatie van nationale identiteit en commercie. Een noodzakelijke kniebuiging voor het veilig stellen van de troon tot ver in de volgende eeuw en het liefst nog veel verder. Een van de weinige houvasten die men nog had in een tijd dat al het andere net zo snel veranderde als de kranten die erover schreven van eigenaar verwisselde. De meesten vanwege de dalende oplage in het digitale tijdperk, ver onder de prijs verkocht aan de hoogst biedende. Vaak een schatrijke Belgische familie. Waar taalverwantschap al niet goed voor was.

Bij hem was de liefde voor het koningshuis iets waar hij liever niet mee te koop liep. Goed dat ze er waren, maar dat schreeuwde hij als intellectueel niet van de daken. Laat staan dat hij een oranje shirtje aantrok, of een hoge zije opzette in de kleuren rood, wit en blauw, zoals sommige van de bezoekers op de vrijmarkt. Hele groepen uit de provincie die als bij een uitwedstrijd van hun favoriete voetbalelftal zich hadden uitgedost in de clubkleuren.

Eentje had zelfs een kroon op het hoofd, half verzonken in een pruik met rode pijpenkrullen die ook van Marie Antoinette had kunnen zijn, maar dan na de onthoofding.

De half mislukte aanzet tot een polonaise richting het schavot van een podium waar een half benevelde volkszanger een eigen versie van het Wilhelmus ten gehore bracht. Wat nauwelijks te verstaan was door de belabberde geluidskwaliteit. ‘Familie van Oranje zijt gij allang niet meer.’ Knars, piep. Gelukkig maar dat de techniek hem in de steek liet. Het hossen was er niet minder om.

Een groepsgevoel dat weinig met traditie te maken had. En al helemaal niet met de liefde voor een historisch gegroeid iets dat z’n wortels had in de oorlog tegen Spanje. Inmiddels vervangen door het EK.

Een paar eeuwen terug een Europese finale van twee keer veertig jaar met een rust van twaalf. Gevolgd door de bekeruitreiking in Munster. Waar niemand nog warm voor liep, bedacht hij smalend.

Niet zoals hij vroeger als student op de padagogische academie met een zwak voor vaderlandse geschiedenis, gedoceerd door een leraar die zei dat niet jaartallen de belangrijkste gebeurtenissen markeerden maar eerder de vraag wie er voor de kosten zal opdraaien voor een te voeren oorlog waarvan helemaal niet zeker was dat die ook gewonnen werd. Het volk dus.

Niks verkwistender dan te moeten dokken voor een verloren veldslag. Men gaat dan morren. Niet dat ze het verloren geld met het stoken van onrust terug zagen. Dat was al lang uitgegeven aan de soldij voor de gesneuvelde huurlingen die anders niet waren komen opdraven en wat over overbleef aan dukaten stak de graaf natuurlijk in z’n eigen zak. Die had laten zien dat er met hem niet te spotten viel. Dan ging de tol weer omhoog. Net als tegenwoordig de BTW wanneer er weer eens een infrastructureel project te duur uit viel vanwege graaiende bouwondernemers.

Wat hij altijd een beetje een ontluisterende conclusie had gevonden: historie teruggebracht tot de inhoud van een beurs. Toen tolheffing, nu belasting. Behalve dan op de vrijmarkt. Wat het niet tot een koopje maakte helaas.

Voor het overgrote deel stevig geprijsde vodden en prullaria en de aanbieder al rekening had gehouden met een behoorlijk lager bod van een eventuele koper. Uitgezonderd het bier, daar ging geen dubbeltje vanaf. Geschonken nog wel in een plastic wegwerpbeker.

Dat zette hij voor geen goud tegen de lippen. Net of er geen druppel alcohol in het druipnatte kunsstoffen kokertje zat. Eerder doodgeslagen vruchtensap uit een literpak van de Jumbo, zorgend voor een soort van namaak dronkenschap waar het halve land aan leed op de verjaardag van het staatshoofd. Bier diende getapt te worden in een glas of pul met een flinke schuimkraag. Klaar uit!

Net als dat een vorst of vorstin weer regeringsverantwoordelijkheid diende te krijgen. Dat was nu eenmaal z’n overtuiging als pedagoog van de wat straffere hand. Een no-nonsense opvoeding, of dat nu was van een kind of een heel volk, met als dragend fundament een autoritaire puurheid in plaats van een slappe democratische verdunning. Iets dat hij beter niet van de daken kon schreeuwen. Dan werd hij nog gekort op z’n wachtgeld.

Toen een clubje luidruchtige feestvierders behangen met oranje slingers hem passeerde, keek hij snel de andere kant op, oogcontact vermijdend voor ze hem nog in de feestvreugde betrokken en hij voor een rondje opdraaide bij de buitentap verderop. Maar ook uit verlegenheid. Helemaal vanwege de nepborsten in een roodwitblauwe bh, gedragen door een jongen met op z’n hoofd een plastic klomp.

Tussen de uitgestalde rotzooi staarde hij een beetje beschaamd naar het vijftal oversized blokletters onder het doorzichtige plastic zeil met bruin verpakkingstape slordig op het plaveisel aangebracht, als markering van de verkoopplek, halverwege de Elandsgracht. Bezet dus. En dat vijf dagen voor de viering van de bevrijding van het Duitse juk.

De trottoirs waarop de kleine commercie onbewust de draak stak met de roodwitblauwe uitbundigheid op 5 mei. Waar nogal schijnhelig over werd gedaan. Helemaal tijdens de kranslegging op de Dam  de avond ervoor.

De Tweede Wereldoorlog als iets om zich als goede vaderlander op de borst te kloppen na het met een brok in de keel aanhoren van de Lastpost, gevolgd door een ongemakkelijke stilte van twee minuten. Ongemakkelijk omdat de meesten echt geen onderduikers in huis hadden genomen, bang voor de gevolgen wanneer ze verraden werden door de buren. Maar natuurlijk ook vanwege de kosten. Die zaten de Germaanse dwingelandij wel uit, wat wel zo goedkoop was.

De ‘bezetneming’ een jaartje of zeventig later door uitgelaten provinciale jeugd van de Amsterdamse binnenstad, snotneuzen die niet eens de eerste strofe van het Wilhelmus wisten. Net als hun grote helden van het nationale elftal; altijd wel vermakelijk om te zien hoe die al na het eerst gezongen woord het vocale spoor bijster waren voor aanvang van een interland. Wat steeds vaker niet veel goeds beloofde.

Daarom maar blij op een daartoe geprikte datum. Het dus onder de voet gelopen worden eens per jaar, de grootstedelijke braderie dat z’n bedenkelijke visitekaartje achterliet op de tegels, tot de borstelkarretjes van de gemeentelijke Stadreiniging over de stoepen waren gereden en de laatste stukjes op het plaveisel geplakte blokletters werden geschraapt.

Bezet of  niet, een gebrek aan historisch besef dat hem vanuit opvoedkundig oogpunt bitter stemde. Maar ook niet meer dan dat.

Ondanks z’n pedagogische bedenkingen was opvoeding nu eenmaal een proces zonder vast omlijnde regels, een van tijdgeest en omstandigheden afhankelijk gebeuren waarbij de nodige flexibiliteit betracht diende te worden door ouders en leraren voor het verkrijgen van weerbare volwassenen die tegen een stootje konden. Kon hij dat als academicus?

De monarchie in ieder geval wel als aanwakkeraar van lokale koop- en eetlust. Want wat er ook veranderd was in die dertig jaar sinds het aantreden van Beatrix, te veel om op te noemen, van communicatie tot mobiliteit, niet de handelsgeest van de onderdanen, jong en oud, dat zich in de koninginnenacht op straten en pleinen een weg naar buiten baande zonder dat er ook maar iemand rijk van werd.

Maar daar ging het ook helemaal niet om. Een volk van kleine kooplieden een etmaal lang bevangen door een vrolijke niet te belasten hoop op een kleine winst.

Nog steeds verwisselden volstrekt overbodige prullaria van eigenaar als vast onderdeel van de koninklijke kringloopwinkel. Nog steeds werd het richting de Dam steeds drukker en schuifelde men voetje voor voetje door de Paleisstraat om een bakje met feestvierders voorbij de timpaan van het oude stadhuis getild te zien worden voor een vrije val naar beneden.

Een kermisattractie als verstrooiende ruilwaar tussen monarchie en republiek dat niemand nog als een na te streven politiek doel zag. Wat niet aan historisch besef was te danken. Had een kleine enquette gehouden met als enige vraag in welk jaar het stadhouderschap erfelijk werd en niemand wist het antwoord op een toevallige leraar geschiedenis na. Wist hij het wel? Het moet de achttiende eeuw geweest zijn. Ergens in het midden ervan. Reden waarom er nu allemaal ouwe troep werd verkocht.

Eigenlijk zouden de stoepen dus vol barokke meubels moeten staan. Van die sierlijke oversized bankstellen met goudkleurige ornamenten waarop Willem zoveel zich placht te verpozen met een doosje snuiftabak in afwachting van het volgende Stadhouderloze Tijdperk.

Nee, geen mens die het nog in z’n hoofd haalde de erfopvolging van het staatshoofd ter discussie te stellen. Men zag het hooguit een beetje schouderophalend aan. Met zo nu en dan wat Kamervragen over een vermeende verkwisting van belastinggeld voor een wat al te royaal onderhouden paleisje of koets.

Wat niets afdeed aan Lodewijks Oranjegezindheid. Dat zat er diep bij hem in gestampt, bijna net zo diep als de heipalen onder het Paleis op de Dam in de drassige veengrond. Dat stond nog steeds na zoveel eeuwen waterpas tussen Nieuwendijk en Kalverstraat, tusen hedendaags ordinair en een beetje deftig, net zo waterpas als de monarchie die het voor ontvangsten en recepties gebruikte, terwijl de muren in toenemende mate de sporen droegen van wildplasserij.

Nog een paar vrijgezellenfeesten in het centrum en het gebouw was een ruïne zonder dat er van een anti-monarchale, republikeinse bestorming sprake was geweest. Vandaar de schotten eromheen als houten pieswand waarachter een fikse opknapbeurt gaande was. Alleen een beetje afsoppen hielp niet, want metingen hadden uitgewezen dat het zout van de urine zich tot diep in het steen hadden gevreten op de begane grond en het oude stadhuis Atlas straks niet meer tot houvast kon dienen bij het op de schouders dragen van de aarde.

Van wereldbelang dus dat er werd ingegrepen en de ‘koninklijke pisbak’ behouden bleef, het paleis dat z’n minderjarige punkvriendinnetje graag met de grond gelijk gemaakt zag worden op 30 april 1980. Hoe heette ze ook weer? Dina toch?!

Daar waarschuwde z’n moeder toen nog voor, om haar naam niet tot een dagelijks uit te spreken verbale routine te maken van al dan niet misplaatste liefde. ‘Dat is niks voor jou, Lodewijk. Een echte sloerie.’ Waar pa aan toevoegde dat ze niet serieus was.

Waar hij gelijk in had en ma ook.

Dina wisselde even makkelijk van man als een kind van z’n tanden, alleen kreeg die er dan wel iets blijvend voor terug. Het enige blijvende tussen hen was een moordzuchtige door wellust gedragen haat waarin de relatie vanaf het begin gedoemd was ten onder te gaan. Of ze moest op tijd de benen nemen. Wat ze ook deed. Een uur langer op de plek van hun gemeenschappelijke samenzijn, een gekraakte wisselwoning in de Vogeltjesbuurt, Amsterdam-Noord, toen het Siberië van Amsterdam, nu the place to be, en het was de Noorderbegraafplaats geworden.