Sluitertijd: Een fatale liefdesgeschiedenis. Podcast 002.

Een vrijgevochten vriendin
 

Hij kon de ogen maar niet afhouden van de tegel. Er boven een Dinkey Toys. ‘Apk gekeurd!’ stond er bij wijze van grap op een geel kartonnen prijskaartje. Zo’n miniatuurweergave van een Italiaanse sportauto waar pa Bernhard zich plankgas in verplaatste. Schaal 1:1 heel wat meer paardenkracht onder de motorkap dan tien gouden en glazen koetsen bij elkaar aan ingespannen edele viervoeters op Prinsjesdag.

Die gingen daarna op Duindigt stoom afblazen, terwijl hun bazin de laatste zwaaibewegingen van die dag maakte naar het onder het balkon van Paleis Noordeinde samen gestroomde publiek. Daar zou hij nooit tussen gaan staan. Hetzelfde volk dat zomaar ineens van mening veranderde, zoals de keizer van z’n kleren in het sprookje van Andersen. Of gewoon omdat het blijkbaar weer eens tijd was voor iets nieuws.

Daarom hield hij zich als monarchist pur sang altijd op gepaste afstand van dat soort massahysterie. Stel dat er paniek uitbrak door de een of andere rare aktievoerder die het in z’n hoofd haalde met een klapperpistooltje de lolbroek uit te hangen. Gekken genoeg in de wereld. Dat wist hij nog van vroeger toen z’n eigen vriendinnetje hem zelf bijna tot aan de rand van de waanzin dreef.

Nee, in de massa was hij gewoon eentje van de velen. Daar verzette zij zich toen op haar manier ook tegen. Iets dat hem nog steeds dwars zat, maar misschien juist ook wel de bron van de aantrekkingskracht die hij voor haar voelde. Iets dat hij later nooit meer had bij een andere vrouw, of meid. Misschien ook niet meer wilde hebben. Die ene keer was waarschijnlijk genoeg voor de rest van z’n leven geweest.

Geen herhaling dus van telkens hetzelfde, maar dan op een veel lager liefdespitje, zo er van liefde dan sprake was. Hooguit een door wellust gedreven sympathie voor een lid van het andere geslacht.

Diep van binnen was hij misschien best een hartstochtelijk iemand, een beetje als de tropische plant die maar eens in z’n leven tot bloei komt en dan een verschrikkelijke stank verspreidt van rottend vlees, bedorven vis en zweetvoeten.

Liefde, echte liefde stinkt misschien ook wel dat het een aard had. Het steeds dieper weg zinken in een troebel moeras van gevoelens. Ging de ware poëzie daar niet over, bijvoorbeeld die van Baudelaire. En ook over het mistroostige gegeven dat de wereld er alleen op uit is een ander de les te lezen, te krenken.

Dat schreef ze toen een keer met een zwarte viltstift op het behang na een bezoekje aan de Slegte in de Kalverstraat toen ze een beduimeld exemplaar van Les fleur du mal onder haar trui mee naar buiten smokkelde. ‘Proletarisch winkelen’ genoemd door haar, maar die stalen geen dichtbundels.

Ze was als dropout van een Limburgs gymnasium de Latijnse taal machtiger dan hij die niet eens op Franse les mocht van de juf op de lagere school, het begin van z’n asgrauwe odyssee door pedagogenland om er zelf eentje te worden: ‘Gebannen aan de grond, waar spotters hem kleineren, wordt hij door reuzenwieken in zijn gang gestuit.’

Dat liet hij toen een paar minuten op zich inwerken. Net of ze het over hem had en niet over de door haar gevonden meeuw met lamme vleugel op de pont, zo’n halve albatros, bang weggekropen onder de teakhouten bank van het gemeenteveer.

De makreleneter kwam in een doos vol stro in de keuken op krachten gevoerd met de door haar in de supermarkt op de Motorkade gejatte blikjes met sardientjes, waar ze onder de kraan eerst de olie vanaf spoelde. Maar als Snaveltje, zoals ze hem noemden z’n maaltje vis rook fladderde hij het liefst naar de aanrecht. Dan kwam hij kaarsrecht omhoog als een ballerina tijdens een uitvoering van het Zwanenmeer in het Bolshoi-theater. Minstens zo wit, net de wieken van een kleine windmolen.

Met die vleugel kwam het dus wel weer goed en ze hem na een paar weken weer loslieten aan het begin van de dreef die naar de witte zwemvogel en z’n gevederde soortgenoten was genoemd, uit het zicht verdwijnend boven het IJ richting het CS. De Meeuwenlaan dus waar ze elkaar op gezette tijden te lijf gingen, eerst met woorden en toen met de schaarse meubelen.

Geen klappen of slaag. Dat was z’n eer te na als man. Hem op een dag vleugellam achter latend, terwijl ze er net als die herstelde meeuw in een scheervlucht vandoor ging richting Amerika met z’n vliegticket voor het Amerikaanse zomerkamp.

Daar had z’n vader nog voor betaald. Die moest er minstens een paar honderd banden voor plakken als stallinghouder.

Geen lolletje in een donkere loods wanneer het een paar graden vroor buiten. Of wanneer het heet was en het gesmolten teer tussen de planken van het dak op de zadels van fietsen en brommers druppelde. Gingen de klanten daar weer over zeuren bij het betalen van het stallinggeld aan het eind van de maand juli of augustus.

’s Winters met z’n handen in een bak ijswater voor het vinden van een lek. Zomers pas naar buiten wanneer de zon ter kimme neigde. Een fietsenmaker die bijna nooit het daglicht zag. Die gunde z’n zoon het licht van de rede via de wettelijke leerplicht, toen nog verspreidt in de scholen tot het vijftiende levensjaar. Maar over die grens ging hij graag een tiental jaren heen als het moest voor het bereiken van z’n doel. Want werken was toch zoals z’n vader zei iets voor ‘de dommen’.

Met zo nu en dan een snoepreisje dus van z’n ouwe heer om op krachten te komen voor de volgende te nemen onderwijskundige horde. Een academische graad die steeds dichterbij kwam. Maar soms ook uit het zicht verdween vanwege de zijwegen op relationeel gebied. Dat kronkelpad dat niets met de ratio te maken had. Proeve ook van z’n onkunde in de omgang met het andere geslacht.

Het liefst had hij haar aan de haak in de donkere werkplaats opgehangen als een te repareren Batavus. Maar daar kreeg hij z’n reisdocument niet mee terug. Wat hem buiten zinnen deed raken van woede in dat armetierige benedenhuis in noord, gekraakte wisselwoning uitziend op een half failliete scheepswerf achter een hek met roestige spijlen. Een gewaarschuwd mens telde voor twee, alleen hij toen niet.

Daar dacht hij aan, starend naar de tegel met de afbeelding van Beatrix. Gewoon vanwege de erop afgebeelde datum: 30 april 1980!

Drie decennia aan wat de uurwerken hebben doen wegtikken in de wereld. Wat natuurlijk niks zegt over het verstrijken zelf als aaneenschakeling van tamelijk vervelende gebeurtenissen, wat de meeste levens nu eenmaal zijn. Dat van hem niet uitgezonderd. Gelukkig was er zo nu en dan een koninklijk hoogtepunt. Daar troostte hij zich mee.

Vooral op een dag met flink wat oranje om hem heen. Het enige behagelijke, mits niet al te opzichtig gedragen.

 

Beluister het derde deel van de roman Sluitertijd: Podcast 003. (De merkwaardige belevenissen van de pedagoog Lodewijk Apostel, waarin hij op 30 april 2010 een fotoboek te koop aangeboden ziet op de vrij markt niet wetend dat hij zelf op een van de kiekjes staat afgebeeld. )

 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *